kárrâ
Kelas kata: Kata Sifat
Arti dalam Bahasa Indonesia
mákárrâ, dihuni atau didiami oleh roh jahat. Mak. kârrassá, idem. Jika seorang tuan mengutuk pembantunya karena kelakuan buruk dan orang itu kemudian tertimpa celaka, maka dikatakan: tuannya mákárrâ; atau jika seseorang sakit setelah tidur di bawah pohon, pohon itu disebut mákárrâ; rumah yang sering ada jenazahnya juga disebut mákárrâ; orang yang selalu ditimpa kemalangan disebut mákárrâ. Misalnya: âna-mákárrâ, yang kita sebut: anak sial/tak beruntung.
Definisi asli Matthes (bahasa Belanda)
mákárrâ, door een' boozen geest bewoond of bezield. Mak. kârrassá, idem. Wanneer een heer zijnen jongen wegens slecht gedrag verwenscht en deze kort daarop eenig onheil ondervindt, zal hij van hem zeggen: mijnheer is mákárrâ; of wanneer iemand ziek wordt na onder een' boom geslapen te hebben, noemt hij dien boom mákárrâ; of wanneer in een huis dikwijls lijken zijn, heet zoodanige woning mákárrâ; wanneer iemand met veel ongeluk te kampen heeft, wordt hij mákárrâ genoemd. Zoo spreekt men bijv. van een âna-mákárrâ; wij zouden zeggen: een ongelukskind.
Sumber
B. F. Matthes, Boegineesch-Hollandsch Woordenboek (1874), hlm. 33.