gâla
Dipakai dalam epos I La Galigo
Arti dalam Bahasa Indonesia
sejenis permainan (Pl. XIII, Gambar 12). Dimainkan oleh dua orang di atas papan 49 kotak, di mana 9 kotak bersilang disebut soelisâñgka, 4 sudut disebut sóe, dan satu kotak tengah disebut pósî. Menggunakan 10 batu hitam dan 13 batu putih. Batu hanya bergerak lurus. Penangkapan berlaku saat sebuah batu (bâtoe) terjepit di antara dua batu lawan atau berada di sudut dengan batu lawan di kedua sisi — asalkan terjadi akibat pergerakan, bukan penempatan awal. Sebelum menangkap, satu batu pengapit digeser dahulu (léze = sóró) lalu dikembalikan. Penempatan awal (dâkoe = târo) dimulai pemain hitam, dengan batu pertama di kotak tengah; semua batu ditempatkan di satu sisi dulu, lalu digeser ke sisi lain (méñré). Pemain hitam berusaha meraih pôte galûna untuk menang; pemain putih mencegahnya (bîtje). Pôle: batu hitam mengepung lawan namun satu batu masih bisa bergerak tanpa memberi peluang lawan. Dô-tjâ: mengepung sekaligus terkepung (riléwo). Tjâppó kéroe: posisi rentan. Tâñgkoe: 2 batu diambil berturut; tâñgkoe-lûna: 3 batu. Êloñg: Márânnoe pôle-galâna / Nagîlîñg tjâppá-kéroé / Nabâllêyañg tângkoe — kiasan tentang orang yang merasa hampir menang tetapi karena lalai akhirnya kalah telak. Mápasiwóeno gâla mábâûni, bertanding gâla di malam hari, = mápañgâdi. Gâla risóesañg: dalam La Galigo disebut perhiasan kaca yang digantungkan di sana-sini, lett.: batu-gâla terbalik. Pagâla, pemain gâla; dalam La Galigo juga berarti = to-soelâssâna.
Definisi asli Matthes (bahasa Belanda)
soort van spel. (Pl. XIII, F. 12.) Dit wordt, even als het danspel, gespeeld door twee personen op een bord met 49 vierkante vakken, waarvan 9 met een kruisje gemerkt, soelisâñgka, 4 hoekvakjes sóe en één middenvakje pósî heeten. Men bedient zich daarbij van 10 zwarte en 13 witte schijven. De schijven worden in een regte lijn en nooit in de dwarste geschoven. Ook het slaan heeft in dit spel plaats, doch op een geheel andere wijze als bij het damspel. Wanneer één schijf (bâtoe) tusschen twee schijven van de tegenpartij komt, of in een hoek van het bord staande, aan beide zijden een schijf van de tegenpartij heeft, en zulks aldus plaats heeft, niet ten gevolge van het primitieve opzetten, maar van het verschuiven der schijven, wordt die ene schijf genomen of geslagen (Boeg. rigâla). Dewijl die schijf niet genomen kan worden, wanneer zij bij het opzetten tusschen twee schijven van de tegenpartij komt, dient men één van die schijven eerst weg te schuiven, om die vervolgens weêr bij te schuiven. Dit wegschuiven heet: léze (= sóró). Bij het opzetten (Boeg. dâkoe = târo) begint altoos hij die de zwarte schijven heeft, en deze moet dan voor de eerste keer altoos in het middelste vak zetten. Voorts zet men eerst al de schijven op aan de ene helft van het bord, dan pas schuift men ze over naar de andere helft. Dit heet méñré. Hij die de zwarte schijven heeft, moet trachten, om aan die andere helft van het bord pôte galûna te krijgen, als wanneer hij het spel gewonnen heeft. — De taak van hem die met de witte stenen speelt, is om zulks te beletten, 'tgeen bîtje heet, als wanneer hij het spel gewonnen heeft. Pôle nu wordt genoemd, wanneer men de zwarte schijven zoo weet te plaatsen, dat men den vijand afsluit, en toch nog één van zijn schijven bewegen kan, zonder dat de tegenpartij daardoor gelegenheid krijgt om te slaan. Vier schijven is het minste getal, waarmede men pôle kan krijgen, en dat wel in een' hoek. Sluit men den vijand wel af, doch zoo dat men zich zelven niet meer bewegen kan, zonder den vijand op nieuw gelegenheid te geven tot het nemen van schijven, zoo heet dit dô-tjâ, het-geen dubbeld slim is, zoo men door de schijven van de tegenpartij ingesloten is (riléwo). Voorts heeft men bij dit spel zich te wachten voor de positie zijner schijven, genaamd tjâppó kéroe, dewijl zij alsdan zeer gemakkelijk kunnen genomen worden. Eindelijk heb ik nog van twee figuren te spreken, waarvan de eene eenvoudig tâñgkoe, de andere tâñgkoe-lûna heet. Bij de figuur tâñgkoe worden er successievelijk 2, bij de figuur tâñgkoe-lûna 3 schijven genomen. Van dit spel is eene beeldspraak ontleend in de navolgende êloñg: Márânnoe pôle-galâna. Nagîlîñg tjâppá-kéroé. Nabâllêyañg tângkoe. Zin: Hij verblijdt zich reeds, dat hij bij het gâla-spel pôle krijgen, d. i.: het spel winnen, zal. — Doch hij verschuift zijn schijven zóó, dat hij de figuur tjâppó-kéroe doet ontstaan, waarbij hij de tegenpartij veel prise op zich geeft, en eindelijk wordt hij verschalkt door de figuur genaamd tâñgkoe-lûna, zoodat hij in eens drie stukken achter elkander kwijt raakt, en dientengevolge alle hoop op de overwinning verliest. Deze êloñg wordt overdragtelijk gebez. van iemand, die bijvoorbeeld met een' slavin denkt te trouwen, doch niet genoeg op zijn' hoede zijnde, en te lang dralende, zich op eens de geliefde door haren heer ontrukt ziet. Mápasiwóeno gâla mábâûni, lett.: nachtelijken gâla-strijd voeren, nachtelijk-gâla spelen, v. d. = mápañgâdi. Gâla risóesañg. Aldus in de La-Galigo genomed een glazen sieraad, dat men hier en daar laat afhangen, lett. een omgekeerde gâla-steen. Pagâla, een gâla-speler. V. d. wegens het moeijelijke van dit spel pagâla in La-Gal. ook gebezigd = to-soelâssâna.
Sumber
B. F. Matthes, Boegineesch-Hollandsch Woordenboek (1874), hlm. 71.